Kinderkrant Blog

Schrijf grammaticaal correcte zinnen in je kinderkrant

5 mei 2020

In een tekst voor kinderen is de grammatica belangrijk. Zorg dat elke zin die je opschrijft minstens bestaat uit een onderwerp en een persoonsvorm en eventueel een gezegde. Deze opbouw kennen kinderen en deze zinnen kunnen ze ontleden.

Om je geheugen nog even op te frissen, gaan we nog even kort in op wat een persoonsvorm, gezegde en onderwerp zijn.

De persoonsvorm van een zin is altijd een werkwoord. Werkwoorden zijn dingen die je kunt doen, bijvoorbeeld fietsen, lopen, spelen, kruipen, klappen of slapen. Als je de persoonsvorm van een zin weet, dan kun je ook de andere zinsdelen benoemen.

De persoonsvorm van een zin kun je op drie manieren vinden.

1. De eerste is dat wanneer je de zin in een andere tijd zet, de persoonsvorm mee verandert.
Als je de zin ‘Ik fiets naar huis’ als voorbeeld neemt. En je verandert deze zin van de tegenwoordige tijd naar de verleden tijd. Dan krijg je ‘Ik fietste naar huis’. Fiets wordt fietste dus dat is de persoonsvorm.

2. De tweede is dat wanneer je de zin verandert van aantal, de persoonsvorm mee verandert.
Ik neem weer hetzelfde voorbeeld. Als je van ‘Ik fiets naar huis’, ‘Wij fietsen naar huis’ maakt, dan verandert fiets in fietsen dus dat is de persoonsvorm.

3. De derde is dat wanneer je de zin vragend maakt, de persoonsvorm het eerste werkwoord van de zin wordt. Als je van ‘Ik fiets naar huis’ de vragende zin ‘Fietste ik naar huis?’ maakt, dan wordt fietste het eerste werkwoord van de zin dus dat is de persoonsvorm.

Het gezegde bestaat altijd uit alle werkwoorden in de zin. De persoonsvorm is een werkwoord, dus de persoonsvorm maakt onderdeel uit van het gezegde. Het gezegde geeft aan dat iemand iets is, dat iemand iets doet of dat er iets gebeurt.
In de zin ‘Ik fiets’ is ‘fiets’ het gezegde.
In de zin ‘Ik heb gefietst’ is ‘heb gefietst’ het gezegde.

Het onderwerp van een zin is te vinden door de volgende vraag te stellen: wie of wat plus de persoonsvorm. In een zin zit altijd maar één onderwerp. Het onderwerp kan uit meerdere woorden bestaan.
Neem de voorbeeldzin ‘Hij is naar de stad gefietst’. Het gezegde is dan is gefietst. Als je dan vraagt ‘wie of wat is gefietst?’ dan is het antwoord… hij. Hij is dus het onderwerp van de zin.